De Australische hondenfokker Wally Conron heeft spijt van de labradoodle die hij creëerde.

De poedel is de laatste jaren in trek, niet voor de poedel zelf, maar om hem te kruisen. De belangrijkste reden daarvoor is de vacht van de hond. Een poedel ruift niet. Dat was wellicht ook de reden van zijn populariteit bij de patémadammen van de tweede helft van vorige eeuw.

Ondertussen hebben de chihuahua en shih tzu de macht gegrepen. Alle drie staan ze bekend om agressief uit de hoek te komen wanneer ze slecht worden opgevoed – behandeld worden als een kind in de plaats van als een hond.

In 1989 kweekte een Australische fokker voor het eerst de hybride labradoodle, een kruising tussen een labrador en een poedel. Hij deed dat niet voor de fun , maar heel specifiek voor een blinde vrouw die geen geleidehond kon pakken omdat haar man allergisch was voor hondenhaar. Het was een succes, de vrouw was geholpen en de eerste labradoodle geboren. Hij heette Sultan.

Dertig jaar later is Conron niet langer tevreden over zijn creatie. “Ik heb het monster van Frankenstein losgelaten”, beweert hij. “De grote meerderheid van de honden is ofwel zot, of heeft een erfelijk probleem.” Dat is niet alleen de schuld van Frankenstein-dokter Conron, maar eerder die van ‘cowboyfokkers’ die de populaire hondensoort aan het overfokken zijn.

Hondenfokken is big business en kent vele gruwelverhalen. In het voormalige Oostblok fokt men er duchtig op los zonder enige controle en transporteren ze honden met ziekten en afwijkingen naar ons land. Labradors zouden naar verluidt ook last hebben van het overfokken. Er duiken alsmaar meer verhalen op van onbetrouwbare honden, terwijl het ras net bekendstond voor zijn zachtaardigheid.

Hoe dan ook: de labradoodle boert goed en de niet ruivende hybride krijgt zelfs concurrentie: de groodle ( een kruising tussen een golden retriever en een poedel) en de spoodle (een kruising tussen een poedel en een spaniël).

En noodle, dat is geen hond.